HOME     www.tegels-uit-rotterdam.com

 

 

 Jachtslot Falkenlust bij Brühl

Rotterdamse tegels voor de keurvorst

 

 

 

 01

Jachtslot Falkenlust aan de oostzijde

 

 

Invloed op de bouw en inrichting van adellijke behuizingen


In de zeventiende en achttiende eeuw hebben kunstuitingen uit het nabije, midden en verre oosten een bijzondere invloed gehad op de bouw en inrichting van adellijke behuizingen in Europa. De strijd tegen de Turken leidde bijvoorbeeld onder meer tot de toepassing van ‘oosterse’ stijlelementen aan en in kastelen en paleizen. Na het Beleg van Wenen in 1683 waardoor de Turken uit Midden-Europa werden gehouden, zette de Turkse mode in versneld tempo door. Tot die mode behoorde ook een verhevigde belangstelling voor de Turkse badcultuur wat tot uiting kwam in speciale ontwerpen voor badkamers en badhuizen die vaak met Hollandse tegels werden bekleed; het lustslotje Badenburg (1) in het slotpark Nymphenburg bij München, gebouwd tussen 1718 en 1721, is daarvan een van de beste nog bestaande voorbeelden.

           Van oudsher bestond in Europa eveneens grote belangstelling voor de maar in enkele stuks binnenkomende Chinese luxeproducten als zijde, lakwerk en porselein. Deze interesse kreeg in de zestiende eeuw een extra impuls toen de heftig begeerde goederen niet alleen via landroutes West Europa bereikten, maar ook over zee op Portugese handelsschepen. Nadat deze handel goeddeels was overgenomen door de in 1602 opgerichte Vereenigde Oost-Indische Compagnie die het blauwe, late Ming porselein in honderdduizenden stuks aanvoerde, ontwikkelde de rijke elite van Europa een nieuwe bezigheid: het verzamelen van Chinees porselein en andere bijzondere artikelen uit het verre oosten.

           Vanzelfsprekend behoorde de stadhouderlijke familie tot de vroegste verzamelaars. Frederik Hendrik, of, beter, zijn vrouw Amalia van Solms, bezat in 1632 al een echte porseleinverzameling die met andere curiosa was ondergebracht op planken en richels in een ‘kabinet’, dat wil zeggen een vertrekje, in Paleis Noordeinde in Den Haag. Ook de vier dochters van het stadhouderlijk paar pronkten als getrouwde vrouwen met porseleinverzamelingen. Zo liet de oudste dochter Louise Henriette, getrouwd met de grote keurvorst, Frederik Wilhelm van Brandenburg, in 1655 een porseleinkabinet in Slot Oraniënburg  inrichten; Albertine Agnes, getrouwd met Willem Frederik van Nassau Dietz, deed hetzelfde in het in 1803 afgebroken buiten Oranjewoud bij Heerenveen, in Oranienstein in Dietz aan de Lahn, en in het verblijf van de Friese stadhouder in Leeuwarden; zo ook Henrietta Catharina, getrouwd met de vorst van Anhalt Dessau, in Oranienbaum (2), en Maria, getrouwd met paltsgraaf Lodewijk Hendrik Maurits von Simmern in Oranienhof, dat helaas ook niet meer bestaat.

           De Oranjezusjes waren natuurlijk niet de enige vorstelijke verzamelaars van porselein. Rond de jaren zeventig van de zeventiende eeuw was Chinees porselein een vast onderdeel van de Europese hofcultuur geworden; pronkopstellingen van porselein van de beste kwaliteit fungeerden als blijken van macht en rijkdom. De verzamelwoede culmineerde tenslotte in de  wens van Europese vorsten om in hun verblijven een of meer vertrekken op te nemen waarvan het effect geheel werd bepaald door het daarin getoonde porselein. Het porseleinkabinet in paleis Het Loo (3), waar de verzameling Chinees porselein van de vrouw van stadhouder Willem III, Maria Stuart, bijeen was gebracht in één vertrekje, is daarvan een goed voorbeeld, evenals de porseleinopstelling in het lakkabinetje uit ca. 1695 in het stadhouderlijk verblijf in Leeuwarden, waarvan de lakpanelen en het plafond bewaard zijn gebleven in het Rijksmuseum te Amsterdam.

                 De volgende stap werd genomen door Lodewijk XIV: een heel gebouw gewijd aan het idee van China. Het op China geïnspireerde theehuis dat hij in de jaren 1670-1673 voor zijn maîtresse Madame de Montespan in de tuinen van Versailles liet bouwen, kreeg de naam Trianon de Porcelaine. In het Trianon bevonden zich weliswaar waarschijnlijk theeserviezen van Chinees porselein, maar de algehele aanblik werd, heel on-Chinees, vooral bepaald door majolica tegels op de wanden en de vloeren. Ook aan het exterieur waren her en der tegels aangebracht. Deze waren echter niet weersbestendig ingemetseld, en toen madame de Montespan uit de gratie was geraakt, werd het afbrokkelende Trianon de Porcelaine in 1687 al weer afgebroken. Van de in  paars en blauw gedecoreerde tegels uit 1670/73 zijn mogelijk enkele gevonden, maar in 1682, 1683, 1688 en 1697 werden opnieuw tegels gebruikt, zowel in het nieuwe Trianon de Marbre als voor reparaties aan de cascades; over welke van de gevonden tegels van wanneer dateren is daardoor moeilijk iets definitiefs te zeggen. Dat sommige van de tegels van het eerste en/of het tweede Trianon uit Rotterdam afkomstig zijn, staat echter vast

Het experiment van Lodewijk XIV om ook buitenmuren van tegels te voorzien, werd niet herhaald, maar de toepassing van tegels als bekleding en versiering van interieurs was aan het einde van de zeventiende eeuw een mode die zich in de achttiende eeuw onverminderd voorzette. Een sprekend, vroeg voorbeeld is de melk- en kaaskamer die Mary Stuart in 1690 in de nieuwbouw van Hampton Court liet betegelen; leverancier van de door hun maat van 62 bij 62 centimeter zeer moeilijk te vervaardigen platen naar ontwerp van Daniël Marot was de Delftse bakkerij de Griekse A Het idee om wanden met tegels de bekleden, hangt ongetwijfeld samen met de liefde voor Chinees porselein; het sterk sprekende blauwe glazuur op wit met de zachte glans van majolica deed daaraan onweerstaanbaar denken, en paste alleen al daarom uitstekend in de frivole paviljoentjes die in de lustparken bij de kastelen voor een Chinees, of op z’n minst oosters accent moesten zorgen. Heel erg à la mode, want pure Chinoiserie en toch op tegels uitgevoerd, zijn de bijzondere tegeltableaus in het paviljoentje Amalienburg (4) in park Nymphenburg bij München, die zowel Chinees lakwerk als veelkleurig Chinees porselein als Chinese tekeningen imiteren. Recent onderzoek naar soortgelijke tableaus in het Rijksmuseum te Amsterdam ten behoeve van restauratie wijst uit dat deze stukken zo veel technische mankementen vertonen dat ze niet aan Delft kunnen worden toegeschreven. Een Rotterdamse werkplaats, waarschijnlijk de tegelbakkerij aan de Delftsevaart, ligt meer voor de hand.

In de bakkerij aan de Delftsevaart vervaardigd zijn ook de drie grote polychrome bloemvaastableaus in de pronkkeuken van Amalienburg en vier vrijwel identieke tableaus in ‘de badkamer van de graaf van Toulouse’ in kasteel Rambouillet (5), waar zich bovendien fraaie tableaus in blauw bevinden van de hand van Cornelis Boumeester, eerste schilder aan de Delftsevaart. Nog meer Rotterdamse tegels in situ zijn in Duitsland onder meer te zien in slot Reinharz bij Bad Schmiedeberg (Saksen Anhalt) (6); landgoed Wachau (7), niet ver van Dresden; slot Rentweinsdorf (8) bij Bamberg, slot Caputh nabij Berlijn en in het ‘porseleinhuisje’in het park van kasteel Schwetzingen (9). Daarnaast bevinden zich Nederlandse tegels uit Amsterdam, Utrecht en Harlingen in kastelen als slot Nöthnitz (Saksen) (10),en slot Anholt bij Isselburg (11), vlak over de Nederlandse grens.

Maar geen van de betegelde vertrekken in deze lustoorden haalt het bij wat Falkenlust in Brühl (Rijnland) te zien geeft. Falkenlust is een jachtslot dat keurvorst Clemens Augustus (1700-1761) tussen 1729 en 1734 liet optrekken. Kosten noch moeite werden gespaard om er een toppunt van elegantie en verfijning van te maken, geheel naar de smaak en het plezier van een van de meest op luxe en pracht gestelde vorsten van Duitsland.

Op hetzelfde landgoed in Brühl ligt het grotere buitenverblijf van Clemens August, dat naar zijn bouwheer Augustusburg (12) heet. Ook daar hebben de ontwerper en zijn opdrachtgever gebruik gemaakt van de decoratieve mogelijkheden van de wandtegel.

 

 02

Slot Augustusburg

 

Misschien was de liefde voor tegels wel erfelijk, want al jong gaf Clemens’ vader, Max Emanuel, blijk van interesse daarin. Toen deze in 1679 keurvorst van Beieren was geworden, begon hij kort daarna met de verbouwing en uitbreiding van de keurvorstelijke residentie in München en daarbij werden de wanden van de nieuwe Alexander- en zomereetzaal met tegels bekleed. Beide vertrekken werden al in 1725 verbouwd; bij een grote brand in 1729 gingen ze vrijwel totaal verloren.

In 1685 trouwde Max Emanuel met de dochter van keizer Leopold I en zo werd hij in 1691 tot stadhouder over de Spaanse Nederlanden benoemd. Van maart 1692 tot het uitbreken van de Spaanse Successieoorlog in 1701 verbleef hij vanwege deze functie in Brussel en bezocht toen ook enkele malen de Noordelijke Nederlanden. Inmiddels was zijn vrouw overleden. Uit een tweede huwelijk werden in Brussel vier zonen geboren, onder wie Karel Albert (1697-1745) die onder meer de Beierse titel erfde, en op 16 augustus 1700 Clemens August, die de familietraditie getrouw aartsbisschop van Keulen en daarmee keurvorst zou worden. In 1703 volgde toen nog Johannes Theodoor, de latere prins-bisschop van Luik.

In de Spaanse Successieoorlog koos Max Emanuel de zijde van Lodewijk XIV en keerde naar Beieren terug. Na de verpletterende nederlaag van de Beierse en Franse troepen tegen het leger van de Hertog van Marlborough in de Slag van Höchstädt (Blenheim) in 1704, werd Max Emanuel uit zijn land verbannen, terwijl zijn vrouw in Venetië verbleef en de kinderen in Klagensfurt en later in Graz in huisarrest werden gehouden. Max Emanuel zelf verbleef opnieuw een tijd in de Nederlanden en vond tenslotte in 1708 onderdak bij zijn Franse bondgenoot. Hij logeerde onder meer in Marly, het buitenverblijf van Lodewijk XIV vlakbij Versailles. Dat bestond uit een hoofdgebouw en twaalf paviljoenen waarin, net als in het Trianon, Rotterdamse tegels met onder andere voorstellingen van ruiters waren gebruikt. Ook bracht hij tijd door in Château de Saint Cloud, het buitenverblijf van Philippe II d’Orléans, de latere prins regent voor Lodewijk XV en als zodanig de naamgever van de Régence-stijl die op zoveel tegelcomposities voor wanden te zien is. Ook in dit vorstelijk verblijf waren tegels te zien en bovendien een lakkabinetje.

Na de Vrede van Utrecht (1713) en de vervolgvrede van Rastatt (1714) kon Max Emanuel in 1715 naar München terugkeren, waar zijn gezin zich bij hem voegde. Al in 1702 was een begin gemaakt met de verbouwing en uitbreiding van het uit 1664 daterende Slot Nymphenburg, het keurvorstelijk buitenverblijf bij München, en na de terugkeer van de keurvorst werd het werk meteen weer aangevat. Maar nu naar Franse voorbeelden, want Max Emanuel had het hoofd vol van de grandeur van het paleis te Versailles en de elegante charme van de verschillende buitenverblijven van de Franse koning en diens familieleden. Bouwmeester in Nymphenburg was Joseph Effner (Dachau 1687-1745 München), wiens familie traditioneel als hoveniers voor de keurvorst werkte. De jonge Effner werd naar het Frankrijk van Le Nôtre gestuurd voor een opleiding tot tuinarchitect, maar kreeg in 1706 toestemming van Max Emanuel om in de leer te gaan bij de Franse architect Gabriel Boffrand. Effner kwam tegelijk met de keurvorst naar Beieren terug, werd hofarchitect en ontwierp voor het hoofdgebouw van Slot Nymphenburg een Franse voorgevel die in 1716 werd uitgevoerd.

Het jaar daarop volgde de eerste van de paviljoenen in het park van slot Nymphenburg: het theehuis Pagodenburg (13) waarvan de naam alleen al aangeeft dat de Chinese mode Max Emanuel niet onberoerd had gelaten. Effner ontwierp hiervoor een achtkantig gebouw van twee verdiepingen hoog waarvan het exterieur met zijn hoge korintische pilasters er in het geheel niet Chinees, maar wel nogal Frans uitziet. In het interieur zijn tegen de tweeduizend witte en blauw geschilderde Rotterdamse tegels aangebracht. Nog voor de voltooiing van de Pagodenburg in 1719, startte in het park de bouw van het volgende paviljoen naar ontwerp van Effner: het verrassende Badenburg (1718-1721), (1) dat zowel een bad van 8,70 bij 6,10 meter als een grote eetzaal bevat en waarvan de wanden bedekt zijn met Rotterdamse landschapstegels.

 

 

Keurvorst Clemens August, de bouwheer van Falkenlust en Augustusburg

 

 03

Het portrait van keurvorst Clemens August.

Slot Augustusburg. Olieverfschilderij
door Georges Desmarées rond 1746.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Clemens August, vierde zoon uit het tweede huwelijk van Maximiliaan II Emanuel (1662-1727), uit het geslacht Wittelsbach.

 

Clemens August was al in 1718 prins-bisschop van Regensburg geworden, in 1719 kwamen daar de prins-bisdommen van Münster en Paderborn bij en in 1723 bekleedde de paus de jonge prelaat met de waardigheid van prins-aartsbisschop van Keulen, waardoor Clemens August ook keurvorst werd. Een jaar later viel het prins-bisdom van Hildesheim hem toe, en in 1728 nog dat van Osnabrück. Al deze kerkelijke benoemingen maakten van Clemens August een rijk man en veranderden niets aan zijn hang naar luxe en aangenaam tijdverdrijf. Integendeel, hij had nu het geld om zijn liefhebberijen zoals de jacht, vrouwelijk gezelschap, ontwerp en bouw van tuinen en modieuze huizen ten volle uit te leven.

De hoofdresidentie van de Keulse keurvorst was Bonn; in die stad en de omgeving ervan begon Clemens August met een fors bouwprogramma dat in pracht en uitstraling de Beierse kastelen en paleizen van zijn vader en broer moest evenaren, zo niet overtreffen. Zo liet hij bij de uitbreiding van de keurvorstelijke residentie in Bonn, Slot Clemenshof, een badzaal met tegelbekleding inbouwen naar het voorbeeld van Badenburg. Ook met het zomerverblijf in Brühl, iets ten noordwesten van Bonn, heeft Clemens August zich intensief beziggehouden.

 

 

François de Cuvilliés

 

 04

Ets, Carl Jahne vóór 1895

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor het ontwerp van de zomerresidentie die Augustusburg zou gaan heten, en voor het ontwerp van Falkenlust in de tuinen van Brühl liet hij in 1728 François de Cuvilliés (1695-1768) overkomen, de architect van zijn broer Karel Albert in München. De Cuvilliés was afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden; geboren in Soignies in het Franstalige gewest Henegouwen, begon hij zijn hofcarrière als dwerg in het gevolg van de verbannen Max Emanuel.

Deze merkte op dat Cuvilliés ontwerptalent had, liet hem meetkundig onderricht volgen, deed hem in de leer bij Jozef Effner, nam hem in 1714 mee naar München en stuurde hem in 1720 ter afronding van zijn scholing voor vier jaar naar de Académie Royale d’Architecture in Parijs onder directie van Jean François Blondel.

 

Na de dood van Max Emanuel in 1726 bleef De Cuvilliés hofarchitect van de Wittelsbachse familie. Een van zijn beroemdste scheppingen is Amalienburg (1734-1739), het jachtpaviljoen in het park van Slot Nymphenburg, dat bedoeld was voor de vrouw van keurvorst Karel Albert. In de pronkkeuken van dat sierlijke gebouwtje zijn volop Rotterdamse tegels te zien.

 

 

Jachtslot Falkenlust

 

Clemens August was een groot liefhebber van de jacht en meer in het bijzonder van de meest aristocratische vorm daarvan, de jacht waarbij afgerichte valken op reigers jagen. Daarom wilde hij naast het grote en voor officiële ontvangsten bedoelde Augustusburg in Brühl over een privé slot beschikken waar hij zich voor en na de jacht kon terugtrekken. De ligging van het daarvoor bestemde Falkenlust werd dan ook bepaald door de vliegroute van de reigers van hun nesten in het park naar de visgronden van de vogels acht kilometer naar het oosten bij Wesseling aan de Rijn. In het jachtslot wilde Clemens August bovendien kleine gezelschappen kunnen ontmoeten, geheime politieke onderhandelingen voeren en zich in betrekkelijke afzondering vermaken met zijn vriendin van dat moment. Het resultaat van deze wensen is een Maison de Plaisance dat zijns gelijke niet kent.

 

 05

Uitzicht op jachtslot Falkenlust vanuit het noordwesten. Renier Roidkin, rond 1735. Stadtmuseum Bonn

 

Het complex bestaat uit een rechthoekig hoofdgebouw in ingetogen Régence-stijl, twee verdiepingen hoog en bekroond met een schilddak. Op het dak is een uitkijkpost gebouwd van waaruit de vlucht van reigers goed kon worden waargenomen; aan de oostzijde springt het centrale deel van bordes tot en met het dak uit als een soort belvédère. Aan de westzijde begrenzen twee lage dienstgebouwen met schilddak de toegangshof. In deze bijgebouwen woonden de huisbewaarder, het keukenpersoneel en de verzorgers van de valken en de paarden, en ook de dieren zelf hadden daar hun onderdak. Het hoofdgebouw is verhoudingsgewijs klein; het was niet de bedoeling van de keurvorst om er grote gezelschappen te ontvangen of er met zijn gebruikelijke hofhouding te verblijven. Ondanks het intieme karakter van het jachtslot lukte het De Cuvilliés om aan de belangrijkste ruimten  een zekere grandeur geven, zoals de Franse architectuurtheorie die voorschreef voor gebouwen bedoeld voor de allerhoogste adel. Tegelijkertijd heeft het interieur, mede door de decoraties, een rococo-achtige bewegelijkheid die deze grandeur weer relativeert. Ook de verschillende kabinetten à la Chinoise droegen hieraan bij.

 

 06

Spiegelbeeldige plattegrond van slot Falkenlust door Cuvilliés de Jongere, 1770, vermoedelijk naar een tekening van zijn vader. Stadtmuseum Bonn

 

De Chinese mode liet zich ook in het jachtslot gelden. Op de eerste verdieping lag bijvoorbeeld een Cabinet Chinois pour le caffé, waar de keurvorst en een select gezelschap Turkse koffie en Chinese thee konden drinken. In dit vertrek stond Chinees porselein.

 

 

 Michael Leveilly

 

 

 07

Michael Leveilly, detail van een olieverfschilderij van Franz Xaver Schweitzer, rond 1755. Kasteel Arff, Keulen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De realisatie van het plan van De Cuvilliés was in handen van Michael Leveilly (1695-1762), hofarchitect van de keurvorst in Keulen. Deze in Frankrijk geboren en geschoolde ontwerper werkte het concept van De Cuvelliés uit en completeerde het met zijn eigen, eveneens op Franse leest geschoeide ideeën.

 

 

 

 

 

Keurvorst Clemens August als valkenier

 

 08

Clemens August, olieverfschilderij van Peter Jakob Horemans, Brühl, Slot Augustusburg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het portret van Clemens August toont de als valkenier geklede keurvorst met een witte valk; zo een giervalk gold als de duurste en beste jachtvogel. Het schilderij dateert uit de jaren dat Falkenlust werd gebouwd.

 

Clemens August maakte haast met de bouw van zijn jachtslot. Op 16 juli 1729 legde hij de eerste steen en op zijn laatst in 1731 kon worden begonnen met de decoratie en inrichting van het interieur. Op 4 mei 1733 gaf de keurvorst een diner in de zalen die toen al klaar waren; een jaar later, op 7 mei 1734, werd de voltooiing van Falkenlust gevierd met een valkenjacht.

 

 

De ontvangstsalon

 

Op de begane grond van Falkenlust bevindt zich achter de ingangshal een min of meer ovale grote salon waar Clemens August gasten kon ontvangen en waar jachtgezelschappen voor en na de jacht bijeenkwamen. Als de jacht begon, liepen de deelnemers door de vestibule naar de voorhof waar valkeniers, valken en paarden gereed stonden om te vertrekken. Door de openslaande deuren aan de achterzijde keerde men na de jacht in de grote salon terug om de afloop te vieren. Ook deze salon is gedecoreerd met een overvloed aan in stralend blauw geschilderde tegels, terwijl de vloer bestaat uit witmarmeren plavuizen. Op warme zomerdagen zal de zaal een welkome indruk van koelte hebben gegeven.

 

 09

De tegeldecoratie in de grote ontvangssalon draagt bij aan de indruk van koelte en rust

 

De wandbetimmering met bijbehorende schilderijen zijn evenals de tegels na restauratie in de jaren 2000-2003 in hun oorspronkelijke ordening en kleuren te zien. De in lichtoker en blauw geschilderde Régence betimmering bestaat uit een vrij lage lambries met daarop pilasters en penanten die in de hoogte in tweeën zijn gedeeld. In de wanden zijn portretten van keurvorsten opgenomen. Lambries, penanten, pilasters en de hoekvullingen bij de schilderijen zijn voorzien van effen witte en blauw geschilderde tegels. In de penanten langs de ramen zijn tegels met forse Régence ornamenten opgenomen. Het geheel maakt een evenwichtige en zeer verfijnde indruk.

 

De betegeling van de lambriseringen bestaat telkens uit tegels met de smalle blauwe ruiten van het Wittelbachse wapen; in vier van daarvan is een cirkelvormig tableau opgenomen met daarin een voorstelling van een valk die een haas aanvalt, een valk die over een reiger triomfeert, een reiger die een vis vangt en een reiger die jongen in het nest voert –de laatste voorstelling is een vergroting van de tegels in het trappenhuis.

 

 10

Valk die een haas aanvalt

 

 11

Valk die over een reiger triomfeert

 

 12

Reiger die een vis vangt

 

 13

Reiger die jongen in het nest voert

 

 14

De bovendeurstukken zijn versierd met het monogram CA (Clemens August) in een cirkel over vijf tegels

 

 

Het trappenhuis van jachtslot Falkenlust

 

In Falkenlust zijn functie, inrichting en decoratie voorbeeldig op elkaar afgestemd, wat tot een bijna sprookjesachtig resultaat heeft geleid. De Cuvilliés ontwierp een volmaakt trappenhuis dat de beperkte ruimte optimaal gebruikt. De opengewerkte smeedijzeren balustrade waarin de initialen van Clemens August in verguldsel zijn opgenomen en het zich als een net uitbreidende patroon van de tegelbekleding maken het trappenhuis tot een luchtig geheel. Het licht komt aan twee kanten door de ramen naar binnen vallen en kaatst helder van de tegelwanden terug, waardoor een egale belichting ontstaat. Een tegelwand over twee verdiepingen van de grond tot aan het plafond in een dergelijke ruimte is uniek. Inspiratiebron voor zowel de bouwheer als zijn architect was misschien het kleine betegelde trappenhuis van de Pagodenburg in park Nymphenburg. In Falkenlust echter is dit gegeven tot in perfectie uitgewerkt. Bovendien is de decoratie van de tegels aangepast aan het thema van het lustslot, de valkenjacht.

 

 15

Trappenhuis Falkenlust

 

De zwierig gebogen trap met treden van eikenhout wordt door een vierkant overloopje onderbroken zodat de trap gemakkelijk begaanbaar is. De wanden zijn geheel bekleed met tegels beschilderd met verschillende afbeeldingen van de valkenjacht, omlijst door tegels met smalle ruiten die aan het familiewapen Wittelsbach zijn ontleend.

 

 

Grondmotief van de wandbekleding

Grondmotief van de wandbekleding zijn grote als ruiten geplaatste omlijstingen van veertien tegels; deze tonen het ruitpatroon van het wapen van het geslacht Wittelsbach dat lazuur op zilver is, waarmee het blauw op wit van de tegels uitstekend correspondeert. Binnen deze omlijsting bevinden zich telkens achttien tegels met twee groepen van voorstellingen, die bij elkaar een beeld geven van de valkenjacht en zowel horizontaal als verticaal worden herhaald. De ene groep van achttien tegels laat een jachtgezelschap zien van valkeniers, ruiters en dames met in de lucht vier reigers en drie valken, de andere groep toont de reigers en valken van dichterbij, met daarbij in het centrum twee tegels met dramatische afbeeldingen van het gevecht tussen reiger en valk en daaronder een reiger bij een nest met reigerkuikens.

 

 16

 

De groep met het jachtgezelschap van elegante dames, ruiters en valkeniers heeft een horizontaal accent.

 

 17

 

Deze groep toont de reigers en valken van dichterbij, met daarbij in het centrum twee tegels met dramatische afbeeldingen van het gevecht tussen valk en reiger en daaronder een reiger bij een nest met reigerkuikens.

 

 

Achterzijden van de tegels zijn gemerkt met letters en cijfers

 

 18

 

De achterzijden van deze tegels zijn gemerkt met letter C en cijfers 1 t/m 18.

 

 19

 

De achterzijden van deze tegels zijn gemerkt met letter D en cijfers 1 t/m 18.

 

 20        21

Voorkant van de tegel C 4                                                                                               Achterkant van de tegel C 4

 

 

Hoogtepunt van de valkenjacht

 

 22

Tegel D 7

Het hoogtepunt van de valkenjacht was het gevecht tussen valk en reiger

 

 23

Tegel D 12

 

De tegelschilder werkte precies en gedetailleerd, telkens op een vlak van 13 bij 13 centimeter. 

Interessant is dat de velden met de achttien figuratieve tegels verschillend zijn opgebouwd; de groep met het jachtgezelschap heeft een horizontaal accent, de groep met de vogels is in de hoogte gecomponeerd. Zo ontstaat een buitengewone levendigheid, en wordt de toeschouwer als het ware gedwongen al heen en weer kijkend het patroon te ontrafelen. Daarbij zullen vooral de verfijnde schildering van elke tegel apart opvallen en de enorme precisie waarmee gewerkt is. Deze blijkt bijvoorbeeld uit het gegeven dat waar vier tegels met de smalle ruiten van het Wittelbachse wapen samenkomen, de ruiten op deze tegels niet precies op de diagonaal liggen, waardoor een perfecte aansluiting wordt bewerkstelligd. Compositorisch intrigerend is ook dat in het veld met de valkeniers de wegvliegende reiger rechtsboven in snelle vaart lijkt te vluchten naar het staande veld. In dat veld overigens is een detail te zien dat zonneklaar duidelijk maakt dat de tegels niet voor de vrije markt zijn gemaakt, maar speciaal voor Clemens August: op de huifkapjes van de valken op het rek staan de initialen CA.

 

 24

Tegel D 14, op de huifkapjes van de valken op het rek staan de initialen CA voor Clemens August

 

 25

Tegel D 15, op de huifkapjes van de valken op het rek staan de initialen CA

 

Bij restauratie van de tegelwanden in het trappenhuis bleek dat de achterzijden van de tegels gemerkt zijn met letters en cijfers. De tegels met het wapen van Wittelsbach aan de voorzijde zijn gemerkt met een hoofdletter A voor de tegels met de diagonaal precies in het midden -het grootste aantal-, en die waarvan het centrum iets verschoven is met B. De tegels met de valkeniers hebben een C op de achterkant, die met de valken een D. Deze zijn ook voorzien van cijfers; er is van boven nar beneden genummerd en van rechts naar links.

 

 

Stephan Laurenz de La Roque

 

De vraag is wie verantwoordelijk is voor het ontwerp van deze buitengewone betegeling. Hoogstwaarschijnlijk is dat Stephan Laurenz de La Roque (* voor 1695 - + 1742) geweest, een schilder in dienst van het keurvorstelijke hof.

In het stadsmuseum van München bevindt zich een ontwerptekening voor het plafond van het trappenhuis in Falkenlust die op grond van stilistische en grafologische kenmerken aan deze schilder wordt toegeschreven.

 

 26

Ontwerptekening voor het plafond van het trappenhuis in Falkenlust. Stadtmuseum München

 

In de niet uitgevoerd plafondontwerp van De la Roque bestaat het decoratieve schema uit omllijstingen om afwisselend verticale en horizontale velden van achttien tegels. Ook de voorstellingen op de tegels tonen elementen van wat uiteindelijk op wandtegels bij de trap is uitgevoerd.

 

 

 27

Trappenhuis Falkenlust

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De ontwerptekening werd niet uitgevoerd, maar het idee van een schildering die tegels suggereert is in Falkenlust wel terug te vinden, namelijk op de onderzijde van de trap en het overloopje, waar het technisch niet mogelijk was tegels aan te brengen. Ongetwijfeld is deze oplossing overgenomen van het niet uitgevoerde ontwerp van de La Roque, dat waarschijnlijk ook de basis vormde van het ontwerp voor de tegelwanden.

 

De onderzijde van de trap en het overloopje in de trap is gedecoreerd met een geschilderd patroon van tegels, dat de echte tegels aan de wand min of meer herhaalt.

 

 

De fabricage van een tegel

(Jan Pluis)

„Een tegel wordt met een vormraampje en een strijkstok gevormd uit bereide klei. Na enige tijd gedroogd te zijn wordt de tegel op de juiste maat gesneden. Daartoe wordt een blokje hout ter grootte van ca. 13,5x 13,5cm op de tegel geplaatst en met een mes rondom schuin naar binnen afgesneden.

Tot laat in de 19e eeuw werden de tegels met de hand gevormd. Om verglijden tijdens het snijden te voorkomen, waren aanvankelijk in vier, drie of twee hoeken spijkertjes geslagen. Doordat de spijkertjes, die iets aan de onderkant van het snijbordje uitstaken, in de leerharde klei gedrukt werden, zijn die spijkergaatjes bij tegels tot het midden van de 17e eeuw als vier putjes te zien. Op tegels die daarna gemaakt werden zijn tot ca. 1860 twee putjes te zien.

 

 28

 

Als de tegel droog is wordt deze voor de eerste keer gebakken en is daarna steen geworden (de oude benaming voor tegel is ,steentje'). De tegel wordt voorzien van een laagje witbakkend tinglazuur (1) en vervolgens wordt het decor aangebracht. Begonnen wordt met het doorstuiven van een spons (een sjabloon van papier waarin het decor is doorgeprikt) (2) op de tegel waartoe met een zakje van stof gevuld met koolpoeder (3) op de spons wordt geklopt, daarna staat de tekening in fijne zwarte stipjes op de poederachtige laag tinglazuur (4). Nu kan de schilder de hoofdlijnen overschilderen (de trek) (5-6), daarna worden details, schaduwpartijen, wolken en dergelijke naar eigen inzicht geschilderd (7). De tegel wordt daarna nog eens gebakken en is daarmee klaar (8).“

 

 

 

Herkomst van de tegels

 

De bouwrekeningen van Falkenlust vermelden voor 1731, ‘Denen Erben deß Johann Baptist Dulman in Cöln für fracht von 26 Kisten von porcellaine plattgen so aus Hollant kommen seynt laut beylag zahlt 78 [Reichstaler] 581/2 [Stüber]’.

 

 29

Bouwrekening van Falkenlust (HSTAD KK IV 4357, fol.68’, Nr. 50)

HSTAD = Hauptstaatsarchiv

 

De aanduiding ‘porcellaine plättgen‘ geeft duidelijk aan waar het in Falkenlust, en andere kastelen, om te doen was: de tegels werden gepercipieerd als een uitstekende imitatie van Chinees porselein en pasten zo bij de smaak voor Chinoiserie. Wat ‘Hollant’ betreft kunnen we wat specifieker zijn: de tegels kwamen uit Rotterdam. Het bewijs hiervoor bevindt zich in de collectie tekeningen, prenten, sponsen die F.J. Kleijn, de laatste tegelbakker in Rotterdam, in 1876 aan het Rotterdamse Gemeentearchief schonk.

Deze verzameling bevat onder meer twee landschappen in aquarel, waarop 22 uitgeknipte of -gesneden voorstellingen zijn geplakt die corresponderen met wat 22 van de 36 figuratieve tegels in Falkenlust te zien geven. De combinatie van de aquarellen met de knipsels is met een zekere artistieke handigheid gedaan. Pikant is het contrast tussen de aquarellen die in penseelvoering en landschapselementen doen denken aan de vaak wat naïef beschilderde tegels die voor de gewone burgerij bedoeld waren, en de uitgeknipte voorstellingen die tot de hofkunst behoren.

 

 30

 

(GAR 1976-3392) Landschap in aquarel, waarop 11 uitgeknipte voorstellingen zijn geplakt die corresponderen met wat 11 van de 36 figuratieve tegels in Falkenlust te zien geven.

GAR = Gemeentearchief Rotterdam

 

 31

 

De combinatie van de aquarel met de knipsel is met een zekere artistieke handigheid gedaan.

 

 32

 

(GAR 1976-3393) Landschap in aquarel, waarop 11 uitgeknipte voorstellingen zijn geplakt die corresponderen met wat 11 van de 36 figuratieve tegels in Falkenlust te zien geven.

 

De zeer zorgvuldig uitgewerkte voorbeelden voor de tegels in Falkenlust, van de hand van de La Roque of een van zijn medewerkers, zijn in waterverf op geschept papier geschilderd en met de pen geaccentueerd. De menselijke figuren, dieren en grondjes met planten zijn in bruinzwarte verf tot in de kleinste details uitgewerkt. Daarbij zijn de contouren  en schaduwen duidelijk geaccentueerd met zwart, en de hoogsels met naar bruin neigend paars. Een goede weergave van de licht-donker waarden was het belangrijkste gegeven dat de tegelschilder nodig had om de voorstelling in nuances van blauw op het tinglazuur te kunnen schilderen. Veel details binnen de contouren zijn in pennenstreken gedaan, wat het gemakkelijk maakte het ontwerp op een gedetailleerde werktekening over te nemen.

Op basis van het soort papier waarop de aquarellen zijn geschilderd, kunnen deze gedateerd worden op het eerste kwart van de negentiende eeuw. In die tijd zal de toenmalige bezitter, een tegelbakker, van de oorspronkelijke ontwerpen voor Falkenlust de voorbeelden hebben uitgesneden en opgeplakt. De opdracht van Clemens August was allang voltooid; dat er ooit nog vraag zou zijn van tegels met voorstellingen van de valkenjacht was onwaarschijnlijk en zo kregen de producten van Duits-Franse hofkunst nog een tweede leven in Hollandse landschapjes die misschien  aan de wand van de bakkerij hebben gehangen.

 

 

 

Sponsen voor figuratieve tegels in het trappenhuis van Falkenlust

 

Naast de aquarellen bevinden zich in dezelfde collectie van het Rotterdamse Gemeentearchief ook twintig sponsen voor figuratieve tegels in het trappenhuis van Falkenlust (GAR 1976-3151t/m 3170). Dat maakt toeschrijving van de tegels in Falkenlust aan een Rotterdamse bakkerij onbetwijfelbaar. De blaadjes geschept papier waarin details van watermerken te onderscheiden zijn, meten ongeveer 13 x 13 cm. en tonen geen enkel spoor van een tekening. De voorstelling is geheel opgebouwd uit dicht naast elkaar gezette zeer fijne prikgaatjes. Doordat de sponsen ook daadwerkelijk zijn gebruikt, steken de gaatjes aan de keerzijde zwart, en natuurlijk spiegelbeeldig, tegen het papier af.

 

           

33 C11                                                                                               34 (GAR 1976-3153)

 

           

35 C 12                                                                                             36 (GAR 1976-3161)

 

           

37 C 18                                                                                             38 (GAR 1976-3154)

 

           

39 D 7                                                                                                40 (GAR 1976-3160)

 

           

41 D 12                                                                                             42 (GAR 1976-3163        

 

In welke bakkerij de sponsen oorspronkelijk zijn gemaakt, is minder eenduidig vast te stellen. Naspeuringen in het Rotterdamse Gemeentearchief hebben tot nu toe geen contracten met of betalingen aan een met name genoemde bakkerij opgeleverd en voor zover mij bekend bevinden zich ook in de keurvorstelijke archieven geen stukken die duidelijkheid verschaffe

 

 

 

Cornelius van Kleeff

 

 43

Bouwrekening van Falkenlust (HSTAD KK IV 4358, fol.71’, Nr. 120)

HSTAD = Hauptstaatsarchiv

 

Na de vermelding in de bouwrekeningen van Falkenlust van de 26 kisten tegels in 1731 volgt in 1732 een betaling aan de ‘Holländische Mäurersgesell Cornelius van Kleeff’ die zich met de ‘aufsetzung der porcelaine plättgen’ had beziggehouden. Aan arbeidsloon ontving deze voor 103 dagen werk 77 Reichstaler 40 Stüber 12 Heller. Bovendien werd aan de Nederlandse meestermetselaar in 1732 ook een aanzienlijk bedrag aan reiskosten betaald, namelijk 40 Reichstaler 55 Stübern 8 Heller. In 1736 - dus na de officiële opening van Falkenlust - volgt dan nog een betaling voor een tweede hoeveelheid tegels aan ‘Dülmans Erben in Cöllen fracht von 5 Kisten porcelaine plättgen aus Holland’, en in 1737 worden enige dagloners betaald voor tegelzetwerk in het trappenhuis.

Bij de restauratie in de jaren 2000-2003 kon precies worden nagegaan hoe Cornelius van Kleeff te werk was gegaan. Als voorbereiding werd op de wanden eerst een laag gladde pleister aangebracht; daarop kwam een mortelgrond van ongeveer 1.5 tot 2.0 cm waarin Cornelis en zijn mogelijke knechten de tegels zetten, waarbij zij als voegspecie een mengsel van tras, kalk en zand gebruikten. De tegels zijn zo koud mogelijk tegen elkaar geplaatst, zodat de voegen nauwelijks zichtbaar zijn.

Tijdens de restauratie kon ook worden nageteld en uitgerekend hoeveel tegels er nodig waren geweest voor Falkenlust, namelijk 10.581 voor het trappenhuis en 1.697 voor de grote salon, bij elkaar 12.278 stuks. Gewoonlijk werden tegels verpakt in hoeveelheden van 150 tot 500 stuks. Voor export werden bij voorkeur kisten met ruimte voor 500 tegels gebruikt. Uitgaande van de bij elkaar 31 kisten waarvan we weten dat ze in Keulen zijn aangevoerd en in Brühl afgeleverd, zou het aantal tegels voor Falkenlust zo neerkomen op 15.500. Het is echter waarschijnlijk dat de tegels in de vijf kisten die in 1736 werden geleverd niet voor Falkenlust waren bedoeld, ook al staan ze in de bouwrekening voor dat slot vermeld. De circa 13.000 stuks van de eerste levering moeten voldoende zijn geweest om breuk en dergelijke op te vangen.

Noch geschreven bronnen, noch de technische gegevens van de tegels, zoals nummering en maatvoering, maken een overtuigende toeschrijving aan één bepaalde Rotterdamse bakkerij mogelijk. De collectie die Kleijn in 1876 aan  het Rotterdamse Gemeentearchief schonk, bevatte volgens de toenmalige archivaris ‘materiaal van het tegelbakkersgilde’. Dat is echter onwaarschijnlijk, gegeven het feit dat het materiaal uitsluitend uit prenten, tekeningen, ontwerpen, voorbeelden en sponsen bestaat, dat wil zeggen het werkkapitaal van een tegelbakkerij. Frederik Jacob Kleijn (1819-1898) vestigde zich in 1851 als tegelbakker te Delfshaven; voor die tijd had hij als kantoorbediende gewerkt in het bedrijf van Aalmis, Verwijk en Zoonen, dat na de dood van Cornelis Roeland Verwijk in 1843 werd opgekocht door Willem van Traa. Deze hief de tegelbakkerij in 1852 op. Het lijkt aannemelijk dat Kleijn het oude beeldmateriaal dat zich bij Van Traa bevond, heeft gekocht, gekregen of meegenomen toen hij met zijn tegelbakkerij in Delfshaven begon. Daarbij bevond zich in ieder geval oud bezit van de tegelbakkerij Aalmis aan de Schiedamsedijk, maar mogelijk ook door de verschillende tegelbakkers Aalmis of Verwijk gekochte ontwerpen en tekeningen van andere Rotterdamse bakkerijen, bijvoorbeeld het Wapen van Dantzig aan de Hoogstraat of de bakkerij aan de Delftsevaart die ten tijde van de bouw van Falkenlust onder het beheer van Hendrik Schut II (1682-1738) stond.

Desalniettemin is toeschrijving mogelijk. Dat de tegels in Falkenlust van een buitengewone kwaliteit zijn, staat buiten kijf. Ook mogen we er van uitgaan dat de opdracht ervoor naar een tegelbakkerij is gegaan die in de jaren rond 1730 de bekendste van Rotterdam was. Daarvoor komen twee bedrijven in aanmerking: de bakkerij van Jan Pietersz Aalmis (1674-1755) aan de Schiedamsedijk, of de bakkerij van Schut aan de Delftsevaart. De laatste had in 1723 voor Slot Schwetzingen, de zomerresidentie van de keurvorst van Palts, niet minder dan 30.000 tegels geleverd.

 

 44

KMGK invn. 2692

 

 

 

 

 

 

 

 

Het staat echter vast dat Jan Aalmis senior de vererende opdracht kreeg. In het museum Cinquantenaire in Brussel bevindt zich namelijk een uit ca. 1740 daterend tegeltableau, gedeeltelijk naar een ets van Adriaen van Ostade, waarin de sponsen voor reigers en valken uit het trappenhuis van Falkenlust zijn gebruikt. Het lijdt geen twijfel dat dit stuk uit het atelier van Aalmis afkomstig is: een aantal elementen komt zowel inhoudelijk als stilistisch overeen met door Aalmis gesigneerde tableaus.

 

Er is geen ander gebruik bekend van de voorbeelden voor Falkenlust. Dit houdt in dat de bakkerij van Aalmis aan de Schiedamsedijk voorbeelden en sponsen voor Falkenlust in bezit had. Gegeven de datering van de bestelling betekent dit dat Jan Pietersz. Aalmis of een meesterschilder in zijn atelier de bestelling van Clemens August heeft uitgevoerd.

 

 

Conclusie

De keurvorsten uit het geslacht Wittelsbach, te beginnen bij Max Emanuel, hebben met een zekere regelmaat bij Rotterdamse bedrijven tegels besteld ter decoratie van paleizen, lustslotjes en paviljoentjes, zowel in en om München, als in Brühl nabij Bonn. Zij volgden daarmee een mode van interieurdecoratie die Lodewijk XIV in het derde kwart van de zeventiende eeuw had geïnitieerd en die teruggaat op de al eerder in West Europa bestaande populariteit van Chinees porselein.
     
 Max Emanuel (1662-1727) was de opdrachtgever van de tegelbakkerij aan de Delftsevaart voor de decoratie van de paviljoentjes Pagodenburg en Badenburg in het park van Slot Nymphenburg nabij München. In de pronkkeuken van het jachtslotje Amaliënburg dat in opdracht van Max Emanuels zoon Karel Albert (1697-1745) tussen de jaren 1734-1739 werd gebouwd, bevinden zich eveneens tableaus die aan het tegelbedrijf aan de Delftsevaart kunnen worden toegeschreven. Deze zijn waarschijnlijk herplaatsingen van - de resten van - tableaus uit het stadspaleis in München die nog dateren uit de tijd dat Max Emanuel keurvorst van Beieren was. Deze zijn aangevuld met paarse pilasters uit het bedrijf van Aalmis die vermoedelijk uit de tijd van de bouw van Amaliënburg of iets later stammen.
        Het is goed mogelijk dat Karel Albert tot de keuze van Aalmis als tegelleverancier kwam, omdat hij gecharmeerd was van wat dit bedrijf in de buitenverblijven van broer Clemens August (1700-1761) te Brühl had laten zien. De toeschrijving van de superieure betegeling van Falkenlust en de tegels in Augustusburg aan het bedrijf van de familie Aalmis is inmiddels volop bevestigd. De verklaring voor de overstap van de familie Wittelsbach van de bakkerij aan de Delftsevaart naar de tegelfabriek van Aalmis aan de Schiedamsedijk na de dood van Max Emanuel ligt waarschijnlijk in de dood van die keurvorst, maar zeker ook in het gegeven dat Cornelis Boumeester in de laatste jaren van zijn leven niet meer als tegelschilder actief was en dat de familie Aalmis een efficiënte werving van klanten in het buitenland had ontwikkeld.

 

 

Bibliografie

 

            Joliet, Wilhelm,’Hollandse tegelkamers in Duitse kastelen Falkenlust en Augustusburg te Brühl’, Königswinter 1982

Joliet, Wilhelm, ‘Von Rotterdam nach Brühl’ (Ausstellungskatalog), Het Nederlands Tegelmuseum “It Noflik Sté”, Otterlo, 27. September 1986 – 4. Januar 1887, Königswinter 1986

Hansmann, Wilfried – Joliet, Wilhelm, ‘Die Bildfliesen im Treppenhaus von Schloss Falkenlust zu Brühl’, Köln 1996

Hansmann, Wilfried – Joliet, Wilhelm, ‘Die Bildfliesen im Treppenhaus von Schloss Falkenlust zu Brühl’, Jahrbuch der Rheinischen Denkmalpflege, Band 37, Seiten 77-116, Köln 1996

Joliet, Wilhelm, ‘Die Geschichte der Fliese’, Köln 1996

Hansmann, Wilfried, ‘Schloss Falkenlust in Brühl’, Worms 2002

Hansmann, Wilfried – Joliet, Wilhelm, ‘Viel Tausend Vergnügen mit Falken und Reihern – Die Rotterdamer Fliesen und Fliesentableaus in Schloss Falkenlust zu Brühl, Brühl 2004

Joliet, Wilhelm, ‘Tegels voor der keurvorst’ in: Tegels uit Rotterdam 1609 – 1866, Zaltbommel 2009, p. 178-202

 

 

Aantekeningen

 

(1)

Die Badenburg im Schlosspark Nymphenburg – darin Rotterdamer Fayencefliesen

www.tegels-uit-rotterdam.com/badenburg.html

(2)

Niederländische Fliesen in Schloss Oranienbaum

www.geschichte-der-fliese.de/oranienbaum.html

(3)

Fliesen in der sogenannten ‘confiturekamer’ des Palais Het Loo in Apeldoorn

www.geschichte-der-fliese.de/het_loo.html

(4)

Nederlandse bijbeltegels naar grafische voorbeelden van Pieter Hendriksz. Schut in de keuken van de Amalienburg

www.geschichte-der-fliese.de/amalienburg_bibelfliesen.html

Einflüsse der Chinamode auf die Dekoration der Küche in der Amalienburg

www.geschichte-der-fliese.de/amalienburg_chinamode.html

Niederländische Blumenvasenbilder in der Küche der Amalienburg

www.geschichte-der-fliese.de/amalienburg_blumenvasenbilder.html

Manganfarbene Säulenbilder auf Rotterdamer Fliesen in der Küche der Amalienburg

www.tegels-uit-rotterdam.com/amalienburg_saeulenbilder.html

(5)

Nederlandse tegels in Kasteel Rambouillet – in beeld –

www.tegels-uit-rotterdam.com/rambouillet_beeld.html

(6)

Fliesen des 18. Jahrhunderts aus Rotterdam und Harlingen im Wasserschloss Reinharz

www.tegels-uit-rotterdam.com/wasserschloss_reinharz.html

(7)

Rotterdamse bijbeltegels in het barokslot Wachau /Sachsen

www.tegels-uit-rotterdam.com/wachau_niederl.html

(8)

Fliesen aus der Rotterdamer Fayencewerkstatt der Gebrüder Aalmis im Schloss der Freiherrn von Rotenhan in Rentweinsdorf

www.tegels-uit-rotterdam.com/rentweinsdorf.html

(9)

Fliesen aus der Rotterdamer Fayencewerkstatt >aan de Delftschevaart bij de Raambrug< für das kurfürstliche Schloss in Schwetzingen

www.tegels-uit-rotterdam.com/schwetzingen_dt.html

Rotterdamse ruitertegels in Schwetzingen

www.tegels-uit-rotterdam.com/schwetzingen.html

(10)

Niederländische Hirten- und Landschaftsfliesen des 18. Jahrhunderts im Treppenturm von Schloss Nöthnitz www.geschichte-der-fliese.de/nhila.html

Harlinger Soldatenfliesen in Schloss Nöthnitz

www.geschichte-der-fliese.de/noethnitz.html

(11)

Kasteel Anholt. Deel 1 Kinderspelen op tegels, Deel 2 Beroepsfigur, hoekmotief ‘volut’ www.geschichte-der-fliese.de/anholt.html

Kasteel Anholt. Deel 3 Utrechtse bijbeltegels

www.geschichte-der-fliese.de/anholt 3.html

(12)

Genredarstellungen auf Rotterdamer Blumenvasentableaus im Sommerspeisesaal der UNESCO-Welterbestätte Schloss Augustusburg

www.tegels-uit-rotterdam.com/genre.html

Das zweite Vorzimmer des Sommerappartements von Schloss Augustusburg, darin Rotterdamer und Utrechter Fliesen des 18. Jahrhunderts

www.tegels-uit-rotterdam.com/sommerappartment_augustusburg.html

Rotterdamer und Utrechter Fliesen des 18. Jahrhunderts im Sommerappartement der UNESCO-Welterbestätte Schloss Augustusburg in Brühl

www.tegels-uit-rotterdam.com/augustusburg.html

Rotterdamer Commedia dell’arte-Tableaus im Sommerspeisesaal der UNESCO-Welterbestätte Schloss Augustusburg in Brühl

www.tegels-uit-rotterdam.com/commedia_dell_arte_tableaus_augustusburg.html

Rotterdamer Genretableaus im Sommerspeisesaal von Schloss Augustusburg

www.tegels-uit-rotterdam.com/genretableaus_augustusburg.html

Rotterdamer Blumenstücke im Sommerspeisesaal von Schloss Augustusburg

www.tegels-uit-rotterdam.com/blumenstuecke_augustusburg_bruehl.html

(13)

Amsterdamer und Rotterdamer Fayencefliesen in der Pagodenburg

www.tegels-uit-rotterdam.com/pagodenburg.html

 

 

 

Ik dank Nora Schadee voor de vertaling van mijn verslag, Jan Pluis voor de bericht ‘De fabricage van een tegel’, Piet Ratsma voor veelzijdige hulp en mijn zoon Norbert voor de bewerking en publicatie van de bericht op internet.

 

Degenen die menen zekere rechten te kunnen doen, kunnen zich alsnog tot de schrijver wenden.